Kraamhokdiarree of neonatale diarree blijft een veelvoorkomend probleem op varkensbedrijven. Nieuwe inzichten in het samenspel van de oorzakelijke ziektekiemen kan varkenshouders helpen om meer gerichte preventiemaatregelen te nemen. Daarom voerde HIPRA over de jaren 2022 – 2024 een onderzoek uit naar de aanwezigheid van pathogenen betrokken bij klinische gevallen van neonatale diarree. In dit artikel belichten we de recente onderzoeksresultaten en effectieve strategieën voor diagnose en preventie.
Neonatale diarree zorgt voor verhoogde uitval en een verminderde kwaliteit van biggen bij het spenen. Dit door gewichtsverlies en verminderde dagelijkse gewichtstoename (ADG). Daarnaast leidt het tot extra werkdruk en vaak tot een verhoogd gebruik van antibiotica om het probleem onder controle te houden. Studies tonen aan dat neonatale diarree verantwoordelijk is voor 5 tot 24 procent van de sterfte vóór het spenen en een afname van de ADG van 8-14 gram per dag, hoewel dit op individuele bedrijven nog hoger kan liggen.
Waarom blijft neonalate diarree terugkomen?
Ondanks preventieve maatregelen die genomen worden op een bedrijf, waaronder het vaccineren, kan neonatale diarree een terugkerend probleem blijven. Dit komt doordat neonatale diarree een multifactorieel ziektebeeld betreft, waarbij zowel managementfactoren als verschillende infectieuze agentia een rol spelen.
- Managementfactoren:
- De kwaliteit en kwantiteit van het voer en drinkwater bij de zeugen.
- Vacccinatieprotocollen, en de algehele conditie en gezondheidstoestand van de zeugen.
- Het peri-partum management (rond de geboorte).
- Het zog van de zeugen, de kwaliteit van de biest en de vitaliteit van de biggen om voldoende biest
te drinken. - De algehele hygiëne en effectieve reiniging en desinfectie van de kraamhokken.
- Infectieuze agentia: Neonatale diarree wordt vaak veroorzaakt door verschillende infectieuze agentia, die vaak als coinfecties voorkomen.
De meest voorkomende zijn:
- Bacteriën: Escherichia coli, Clostridioides difficile, Clostridium perfringens (type A en C)
- Virussen: Rotavirus A en C
- Parasieten: Cystoisospora suis
De rol van deze agentia als primaire of secundaire veroorzakers van diarree is niet altijd duidelijk, aangezien ze zowel in gezonde als bij biggen met diarree kunnen voorkomen.


De ENTEROCHECK PLUS bestaat uit diagnostische setjes swabs, waarmee van biggen met diarree swabs worden genomen die op FTA-kaartjes worden uitgesmeerd. Hiermee wordt dan niet alleen een uitslag gegeven van aangetoond of niet aangetoond van de pathogenen, maar ook een maat van hoeveel kiemen er aanwezig zijn.
Recent onderzoek naar neonatale diarree
HIPRA voerde over de jaren 2022 – 2024 een onderzoek uit naar de aanwezigheid van pathogenen betrokken bij klinische gevallen van neonatale diarree. In dit onderzoek werden mestmonsters geanalyseerd van 2.030 worpen komende van 712 bedrijven in 19 Europese landen. Het gebruik van de ENTEROCHECK PLUS diagnostische kit voor het nemen van die stalen, heeft geholpen bij het identificeren van pathogenen zoals E. coli, C. perfringens, C. difficile, Rotavirus A en C.
De resultaten gaven aan dat:
- C. difficile gedetecteerd werd op 85 procent van de bedrijven.
- C. perfringens type A gedetecteerd werd op 99 procent van de bedrijven.
- E. coli fimbrieën en LT toxine werd gedetecteerd in respectievelijk 78 procent van
de gevallen. - Virale agentia zoals Rotavirus A en C werden gedetecteerd in respectievelijk 68 procent en
67 procent van de gevallen.

Leeftijd van biggen en verschijning van diarree
Uit het onderzoek bleek dat 64 procent van de monsters afkomstig was van biggen van zes dagen of jonger. Dit bevestigt dat neonatale diarree vaak optreedt binnen de eerste dagen van het leven. Het is belangrijk te begrijpen dat niet alleen de aanwezigheid van pathogenen met toxines en/of aanhechtingsfactoren belangrijk is, maar ook de hoeveelheid die er gedetecteerd wordt. Bijvoorbeeld lagere Ct-waarden in PCR-tests (hoge mate van aanwezigheid) suggereren dat ze een grotere rol spelen bij het veroorzaken van de diarree van een specifiek bedrijf. Ook het minder of meer virulent zijn van de kiemen kan een mogelijke rol spelen. Helaas is het momenteel moeilijk om dit met routine diagnostiek te achterhalen.

Co-infecties bij neonatale diarree
Co-infecties bij neonatale diarree In veel gevallen werden meerdere pathogenen tegelijkertijd aangetroffen. Bij 67 procent van de gevallen werden twee of meer pathogenen gedetecteerd. De meest voorkomende co-infecties waren:
- C. perfringens type A + C. difficile
- C. perfringens type A + C. difficile + Rotavirus C
- C. perfringens type A + C. difficile + Rotavirus C + Rotavirus A
Voor biggen van 0 tot 6 dagen oud waren de meest voorkomende combinaties C. perfringens type A + C. difficile + Rotavirus C en C. perfringens type A + C. difficile.
De belangrijke rol van C. difficile en C. perfringens type A
In een recente interne enquête onder 71 bedrijven die vaccineerden tegen deze twee
agentia, werd een significante verbetering opgemerkt:
- Bij 70 procent van de bedrijven verminderde het gebruik van antibiotica.
- Bij 79 procent werd een vermindering van de tijd die werd besteed aan het beheren van biggen met diarree opgemerkt.
- Bij 49 procent van de bedrijven zag men een verbetering van het gewicht van de biggen bij het spenen.
Biestopname en vaccinatiemanagement als niet te vergeten factoren!
Als laatste is het zeer belangrijk om u bewust te zijn van het belang van een goed vaccinatie- en
biestmanagement. Immers, wat de zeug niet bezit qua antistoffen, kan zij ook niet doorgeven aan de biggen. In sommige gevallen hebben de zeugen de capaciteit wel, maar is er een minder goede biestopname of verdeling.
Door de analyse van de vele ENTEROCHECK PLUS-resultaten op De ENTEROCHECK PLUS bestaat uit diagnostische setjes swabs, waarmee van biggen met diarree swabs worden genomen die op FTA-kaartjes worden uitgesmeerd. Hiermee wordt dan niet alleen een uitslag gegeven van aangetoond of niet aangetoond van de pathogenen, maar ook een maat van hoeveel kiemen er aanwezig zijn. veel verschillende bedrijven, hebben we een zeer goed idee wat we als gunstig resultaat zien, maar nog belangrijker: wat we dus liever niet zien op een goed vaccinerend bedrijf. Deze eerste screening kan ons laten beslissen of het al dan niet nodig is om een verdere controle op de biest te doen vooraleer er meteen veranderingen aan het vaccinatieschema aangebracht worden.
Conclusie
Het voorkomen van neonatale diarree is cruciaal voor het verbeteren van de kwaliteit van biggen bij het spenen. Een hoogwaardige big, met een gezonde darmflora, zal beter bestand zijn op moment van en na het spenen. Het vaccineren van zeugen tegen de meest voorkomende infectieuze agentia kan helpen de frequentie en ernst van neonatale diarree te verminderen, wat uiteindelijk leidt tot een gezondere big en dus een winstgevender bedrijf. Naast een goed management is een juiste diagnose van de betrokken pathogenen essentieel.
Vraag hiervoor naar de ENTEROCHECK PLUS bij uw dierenarts
Tekst en beeld: Annelies Michiels, varkensdierenarts bij HIPRA