Managementmaatregelen kunnen streptokokkeninfectie voorkomen

Directe overdracht van Streptococcus suis kan plaatsvinden tijdens de geboorte, in de kraamstal of na het spenen bij opleg in de biggenbatterij. Indirecte overdracht van de bacterie kan ook via personen en materialen.

Dieren met symptomen kunnen behandeld worden met antibiotica (bv. penicilline of amoxicilline, individueel via injectie), aangevuld met een ontstekingsremmer (bv. meloxicam).

Dieren met symptomen worden best afgezonderd, maar moeten warm gehouden worden en moeten ondersteund worden bij het drinken. Volledig herstel zou in dat geval mogelijk moeten zijn.

Er is geen commercieel vaccin op de markt en de resultaten na vaccinatie met een autovaccin zijn variabel.

Voor de preventie van S. suis zijn er echter wel verschillende managementmaatregelen die genomen kunnen worden. We zetten ze even op een rijtje.

  • De regels rond externe bioveiligheid (insleep van ziektekiemen op het bedrijf) moeten zo goed als mogelijk gerespecteerd worden. Belangrijke factoren zijn: het scheiden van de propere en vuile weg, maatregelen voor personen die de stal betreden (handen wassen, bedrijfseigen kledij en laarzen), aankoop van dieren beperken (eventueel eigen aanfok) en degelijke ongediertebestrijding.
  • De maatregelen rond interne bioveiligheid (verspreiding van ziektekiemen binnen het bedrijf) moeten ook in acht genomen worden. Biggen verleggen moet beperkt worden en gebeurt best via een vooraf vastgelegd protocol (bv. enkel tussen 2 tomen, ten vroegste 24 uur na geboorte, ten laatste 4 dagen na geboorte, biggen uit één toom proberen samenhouden, enz.). Bij gebruik van pleegzeugen wordt de zeug best naar de biggen gebracht in plaats van omgekeerd. Uitval in de kraamstal (incl. reden) en behandelingen moeten bijgehouden worden. Looplijnen moeten gerespecteerd worden (kraamstal à biggenbatterij à vleesvarkens), en ook binnen de afdelingen wordt er best van jong naar oud gewerkt. Tussen de afdelingen is het aangeraden om handen te wassen en te wisselen van overall en laarzen. Het is ook beter om verschillende materialen te hebben per diergroep, en om dit materiaal regelmatig te reinigen en ontsmetten.
  • Een goede hygiëne in de kraamstal en bij de biggenbehandelingen is ook cruciaal in de bestrijding van S. suis. Rond het werpen moet de mest bij de zeugen weggehaald worden. Bij het behandelen moet er zo weinig mogelijk in de hokken gegaan worden (eventueel maar door één persoon). Het is aan te raden om handen regelmatig te wassen tussen het behandelen van verschillende tomen. Het materieel (castreermesje, naalden, spuiten) dient regelmatig (bij voorkeur na elke toom) gereinigd, ontsmet of vervangen te worden. Voor het castreren kan een bakje met ontsmettingsmiddel gebruikt worden voor 2 mesjes (zodat de mesjes voldoende lang ontsmet worden tussen de castraties door). Tomen met biggen met diarree of tomen van een pleegzeug moeten als laatste behandeld worden. Het is beter om de verschillende behandelingen (ijzerinjectie, staartjes couperen, castratie, vaccinatie) zoveel mogelijk op één moment in te plannen. Hierbij moet er wel rekening gehouden met de correcte tijdstippen van de behandelingen (bv. ijzerinjectie op 3 – 5 dagen, castratie < 7 dagen, enz.).
  • Via wondjes kan S. suis gemakkelijk een dier binnendringen. Daarom is het aan te raden om wondjes te voorkomen. Het niet-castreren van beertjes kan hiervoor een oplossing zijn. Indien er toch gecastreerd moet worden, moet er hygiënisch gewerkt worden (zie eerder: ontsmetting van mesje). Het is beter om niet standaard de tandjes af te doen. De staat van de vloer in de kraamstal moet goed (niet ruw) zijn, zodat dieren zich niet kunnen bezeren.
  • Het spenen is een belangrijk moment in de verspreiding van S. suis. Biggen worden best pas zo laat mogelijk gespeend (min. 25 dagen oud). Tomen moeten zoveel mogelijk samen gehouden worden na spenen. Dieren van verschillende leeftijden worden best in verschillende compartimenten gehouden. Een tip hierbij kan zijn om verschillende kleuren oormerken te gebruiken voor verschillende geboorteweken (vnl. van belang op bedrijven die in een éénweeksysteem werken). Bargen (of beren) en gelten worden best pas gescheiden bij opleg in de vleesvarkensstal (dus nog niet bij spenen). De kleinste biggen kunnen wel apart gehouden worden in een hok, maar mogen nadien nooit meer gemengd worden met dieren uit andere hokken. Ook ‘risico-biggen’ (bv. biggen uit tomen met symptomen van S. suis, biggen afkomstig van pleegzeugen) worden best in een apart hok gehouden.
  • Voldoende voeder en drinkwater is ook belangrijk. Zowel in de kraamstal als in de biggenbatterij moet hier aandacht aan besteed worden. In de kraamstal kan gestart worden met een melkproduct, nadien aangevuld met een speenvoeder. Het is best om tijdens de zoogperiode één soort voeder te kiezen (droogvoeder óf brijvoeder, niet wisselen tussendoor). Er moet minstens één drinkplaats per 10 biggen zijn, en het drinkwater moet schoon én gemakkelijk bereikbaar zijn. Na het spenen moeten de biggen onmiddellijk toegang hebben tot vers voer en drinkwater.
  • De omgeving moet ook goed zijn. Er moet voldoende licht zijn zodat de biggen de eet- en drinkplaats kunnen vinden. De biggenafdeling moet droog en voldoende warm zijn (temperatuur in de biggenbatterij moet 5 °C warmer zijn dan in de kraamstal). Er moet regelmatig gecontroleerd worden of de luchtstroom goed is in de batterij (hierbij kan gelet worden op het liggedrag van de dieren) en dat er geen tocht is ter hoogte van de ligplaatsen.
  • Tot slot zijn reiniging en ontsmetting van de afdelingen cruciaal. Er moet gewerkt worden volgens een vast protocol (droog reinigen, inweken, nat reinigen, opdrogen, ontsmetten), waarbij de doseringen van de reinigings- en ontsmettingsmiddelen gerespecteerd moeten worden. Het laten opdrogen van de stal vooraleer te ontsmetten is zeer belangrijk. Als er nog plassen aanwezig zijn in de afdeling kan het ontsmettingsmiddel hierdoor verdund worden. Na reiniging en ontsmetting van de afdeling moet er een voldoende lange leegstand zijn (minstens 4 dagen), vooraleer er nieuwe dieren in de afdeling mogen gebracht worden. Voor opleg van de dieren in de batterij moeten de voeder- en drinkwatervoorzieningen gespoeld worden. Bij opleg van de biggen moet de afdeling goed droog en op temperatuur zijn.

Bron: naar Elise Bernaerdt (UGent) in Varkensbedrijf België editie mei 2020.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

%d bloggers liken dit: